‘Wie de Nederlandse taal niet goed spreekt, komt lastiger aan werk’

Het Werkgevers Servicepunt Westelijke Mijnstreek (WSP) plaatst dagelijks mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt bij werkgevers in de regio. Werkgevers vinden het belangrijk dat deze nieuwe medewerkers Nederlands kunnen spreken en bij voorkeur ook schrijven. Daarom biedt team Werk twee dagdelen (van drie uur) per week Nederlandse lessen aan van Totaalonderwijs, onderwijsaanbieder voor anderstaligen.

Docent Christa Molendijks en jobcoach Jorrin Andriolo nemen graag even de tijd om meer te vertellen over de Nederlandse les die wordt aangeboden in het Participatiehuis. Jorrin legt uit dat jobcoaches deelnemers aanmelden voor de taalles. “We merkten bij team Werk dat veel statushouders, die lang in Nederland wonen, qua taalontwikkeling niet goed vooruit gingen. Wie niet goed Nederlands spreekt, komt lastiger aan werk. Taal is namelijk het grootste struikelblok voor veel werkgevers. Medewerkers moeten hun taken begrijpen. Denk maar aan het opvolgen van aanwijzingen en het begrijpen van veiligheidsinstructies en protocollen. Daarom investeert het team Werk hier nadrukkelijk in”, vertelt hij.

Lesverloop

Na de aanmelding volgt een intake, om te kijken welk taalniveau iedere persoon heeft. “Ze stromen op verschillende momenten in het jaar in en gaan op hun eigen tempo aan de slag.” Christa start steevast de les met actualiteiten. In het Nederlands, uiteraard! Dan verwacht ze dat iedereen meedoet. “Dat kan over allerlei dingen gaan. Vandaag was ik bijna te laat omdat er file was. Dus heb ik het gehad over te laat komen. En zo ontstaan hele leuke gesprekken.” Vervolgens komen de grammaticaregels aan de orde. “Na de pauze werkt iedereen in zijn/haar boek en bespreek ik individueel wat ze hebben gedaan.” De cursisten maken na elk thema een toets. Zo wordt hun vooruitgang getest.

Sociaal

Naast het Nederlands leren, komen ook werknemersvaardigheden en normen en waarden aan bod. Christa: “Denk maar aan een hand geven en op tijd komen. Doordat ze de les volgen, hebben ze ook meer sociaal contact. Sommigen komen anders nauwelijks de deur uit en spreken bijvoorbeeld alleen maar met hun partner en kinderen in de moedertaal. Na de vakantie hoor ik vaak dat ze geen woord Nederlands hebben gesproken.”

Gemotiveerd

Jorrin en Christa zijn erg tevreden over de opzet. Ook de cursisten zijn enthousiast en gemotiveerd om twee keer per week deel te nemen aan de les. Dat bevestigen Hosin Ward, Ahmad Alraya en Jolanta Wasilewska.

Hosin Ward (34) komt uit Syrië. Hij woont inmiddels bijna 4,5 jaar in Nederland. Vandaag volgt hij zijn eerste les in het Participatiehuis. “Ik ben hier om zelf verder te leren.  Ik vind het ook fijn. Ik vind het belangrijk om goed Nederlands te spreken, te lezen en te schrijven. Het is niet de eerste keer dat ik Nederlands volg. Ik heb gewerkt, maar mijn collega’s begrepen me niet. Na deze lessen wordt het vast gemakkelijker om met collega’s te praten. In de winkel begrijp ik al veel dingen. Die onthoud ik gemakkelijker. Ook veel naar Nederlandse televisieprogramma’s kijken, helpt.”

Ahmad Alraya (30) komt ook uit Syrië. Hij woont nu 9 maanden in Nederland. Hij is zo gemotiveerd dat hij twee Nederlandse taalstudies combineert. “Zo kan ik de taal sneller leren. Ik vind de les hier heel leuk. Ik leer graag en heb het ook nodig om werk te vinden. Ik vind van mezelf dat ik nog niet zo goed Nederlands spreek.” Toch stellen we vast dat dat best meevalt. “Hier durf ik ook meer Nederlands te spreken. Mijn doel is taalniveau B1. Daar wil ik alles voor doen!”

Jolanta Wasilewska (40) woont als 12 jaar in Nederland. Zij is afkomstig uit Polen. Jolanta krijgt veel steun van haar 18-jarige zoon om deze lessen vol te houden. “Dat motiveert me. Want eigenlijk ben ik bang om Nederlands te spreken. Ik heb het ook moeilijk met grammatica. Ik kijk veel televisie om te oefenen met het Nederlands. Flikken Maastricht bijvoorbeeld. Dat vind ik een leuke serie. Ik wil heel veel oefenen, want ik wil eindelijk goed Nederlands spreken en niet langer een mengeling van Poolse en Nederlandse woorden.”